Vanaf 1 juni 2026 ontvangen gemeenten maandelijks gegevens uit de Registratie Niet-Ingezetenen (RNI). Het gaat om tijdelijke verblijfsadressen, contactgegevens en burgerservicenummers (BSN) van mensen die korter dan 4 maanden in Nederland verblijven. De gegevens geven gemeenten meer zicht op EU-arbeidsmigranten die tijdelijk in hun gemeente wonen en helpen bijvoorbeeld bij het signaleren van overbewoning of illegale huisvesting. 

Hoe kunnen gemeenten de gegevens inzien? 

Gemeenten kunnen de RNI-gegevens op meerdere manieren raadplegen: 

  • Via de Kwaliteitsmonitor (KWM), het bestaande systeem dat afdelingen Burgerzaken van gemeenten gebruiken, krijgen gemeenten gratis toegang tot het tijdelijke verblijfsadres en het BSN. 
  • Met een GABA-autorisatie (Gemeente Als Buitengemeentelijke Afnemer) kunnen gemeenten via hun BRP-systeem (Basisregistratie Personen) gegevens van één persoon opvragen. Daarbij zien zij ook het tijdelijke verblijfsadres en de contactgegevens van niet-ingezetenen. 
  • Bij het opvragen van een persoonslijst voor inschrijving als ingezetene wordt het tijdelijke verblijfsadres ook getoond, als dit is opgegeven. 

Waarvoor kunnen gemeenten de gegevens gebruiken? 

RNI-gegevens helpen gemeenten bij registratie, toezicht, handhaving en veiligheid. Ze bieden inzicht in wie de tijdelijke bewoners zijn en maken signalen van bijvoorbeeld overbewoning, administratieve leegstand of illegale huisvesting beter zichtbaar. Daarnaast geven de gegevens een beter beeld van het aantal aanwezigen bij calamiteiten, zoals brand. Ook ondersteunen ze gemeenten bij het plannen van zorg, welzijn en bouwkundige controles. 

Lees meer over het belang van RNI-gegevens voor gemeenten